De box 3 heffing leidt tot een individuele en buitensporige last als deze hoger is dan het werkelijke rendement

In deze zaak was een mevrouw het niet eens met de heffing in box 3 over de jaren 2016 en 2017 omdat volgens haar de verhouding tussen de genoten renteopbrengsten (totaal € 2.166) en de af te dragen box 3-heffing (€ 12.603) leidde tot een individuele en buitensporige last. De rechtbank en het gerechtshof vonden dat er geen sprake was van een individuele en buitensporige last want de vrouw had een woning waar geen hypotheek op rustte en haar vermogen was toereikend. Het Hof verwierp wel het standpunt van de inspecteur dat voor het jaar 2017 alleen beoordeeld mocht worden of mevrouw werd geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en dat de vraag of sprake was van schending van artikel 1 van het EVRM op stelselniveau alleen beantwoord kon worden in de geselecteerde procedures die waren aangewezen in het kader van massaal bezwaar. De box 3-heffing vanaf 2017 was volgens het Hof op stelselniveau niet in strijd met artikel 1 van het EVRM, en mevrouw werd over 2017 niet geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing in box 3. De vrouw ging in cassatie.

Interen op vermogen door betalen van box 3-heffing
De Hoge Raad verklaarde haar cassatieberoep gegrond. Het Hof was niet bevoegd om te beslissen dat de box 3-heffing op stelselniveau niet of wel in strijd was met artikel 1 van het EVRM. Het Hof had bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing werd geconfronteerd met een individuele en buitensporige last rekening moeten houden met de hele financiële situatie van de vrouw. De rechter had moeten onderzoeken of de heffing van IB leidde tot een individuele en buitensporige last als de box 3-heffing hoger was dan het werkelijke rendement. Daarbij moest hij ook kijken of de vrouw op haar vermogen inteerde door het betalen van de belasting. De Hoge Raad stelde dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogde waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moest interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kon de omstandigheid dat de vrouw door de heffing inteerde op haar vermogen een aanwijzing zijn dat zij door die heffing werd geconfronteerd met een buitensporige last. Het Hof had dit niet onderzocht. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nader onderzoek naar de vraag of de box 3-heffing voor mevrouw een individuele en buitensporige last vormde.
Hoge Raad, 2 juli 2021, ECLI (verkort): 1047